Hormoonverstoorders, het juiste evenwicht behouden

 

De term «hormoonverstoorders» verwijst naar chemische stoffen die de hormonen in het menselijk lichaam nabootsen of ermee interfereren en zo nadelige gevolgen hebben voor de gezondheid.  Daartoe horen ook chemische stoffen die, naar men denkt, interfereren met de geslachtshormonen (meer bepaald de oestrogenen), ook wel gender-bender chemicaliën genoemd. Dit is een erg brede groep, waarin onder meer ook de stoffen zitten die als persistente organische polluenten (POP’s) beschouwd worden, en met name PCB’s, dioxines, DDT en gechloreerde pesticiden.

Bepaalde ingrediënten die in consumptieproducten gebruikt worden, werden eveneens als hormoonverstoorders bestempeld omdat zij in staat zijn de werking van oestrogenen na te bootsen.  Die aantijging geldt voor bepaalde ftalaten, UV-filters, parabenen en andere stoffen. Belangrijk hier is erop te wijzen dat het niet is omdat een stof mogelijk een stof kan nabootsen, dat zij dan ook automatisch het hormoonsysteem zal ontregelen. De termen «hormoonnabootser» en «hormoonverstoorder» mogen niet met elkaar verward worden: het zijn geen synoniemen. Heel wat stoffen, ook natuurlijke stoffen, kunnen hormonen nabootsen, maar enkel van een heel klein aantal daarvan is bewezen dat zij het hormoonsysteem ontregelen. Bovendien, wanneer dit effect bewezen werd, ging het hoofdzakelijk om stoffen die als geneesmiddelen gebruikt worden.

De uitwerking van stoffen die als hormoonverstoorder bestempeld worden (over het algemeen gewoon hormoonnabootsers), moet dus sterk gerelativeerd worden voordat van enige veroordeling sprake kan zijn. Momenteel zijn er geen bewijzen dat lage concentraties van hormoonnabootsers schadelijk zouden zijn voor de gezondheid van de mens. Niet één van de tot nu toe gevoerde wetenschappelijke studies heeft een oorzakelijk verband kunnen leggen tussen hormoonnabootsing en gezondheidsproblemen. Desondanks blijven bepaalde wetenschappers en activistengroepen verkondigen dat sommige synthetische chemische stoffen, zelfs in de vorm van sporen, ziekten bij de mens kunnen veroorzaken. Deze blijvende focus kan toegeschreven worden aan het feit dat we dankzij moderne onderzoekstechnieken in staat zijn om steeds kleinere sporen van chemische stoffen op te sporen, en dus de aanwezigheid kunnen aantonen van steeds kleinere en allicht steeds minder relevante concentraties van stoffen.

Relatieve werkzaamheid – enige relativering is geboden!

Hoeveelheid is wel degelijk van belang. Als voorbeeld nemen we de meest gebruikelijke hormoonverstoorders zoals de contraceptiepil en de stoffen die voor hormoontherapieën gebruikt worden, twee toepassingen die voor hun therapeutische voordelen of vanuit een bewuste levensstijl gekozen worden. We zien dat deze stoffen veel minder krachtig zijn dan de natuurlijke lichaamseigen oestrogenen waaraan het menselijk organisme doorlopend blootgesteld wordt. Ze moeten dus in grote hoeveelheden opgenomen worden om de verhoopte uitwerking te verkrijgen.

En dit laat zich meten.

Zo is bijvoorbeeld het oestrogeen effect van de UV-filter benzofenon-3, die gebruikt wordt in zonnebeschermingsmiddelen en ervan beschuldigd werd een hormoonverstoorder te zijn, 1,5 miljoen keer minder krachtig dan ethinylestradiol, een stof die in orale contraceptiva gebruikt wordt. Het voorbeeld van aspirine illustreert dit goed: wanneer aspirine 1,5 miljoen keer minder krachtig zou zijn, zou iemand, om een aanval van hoofdpijn weg te krijgen, naar schatting ruim 13 keer zijn lichaamsgewicht aan aspirine in één keer moeten innemen… wat uiteraard onmogelijk is. Precies om die reden is het onmogelijk om, via consumptieproducten, aan voldoende dosissen van zogenaamde hormoonverstoorders blootgesteld te worden opdat deze een verstorend effect zouden hebben op het hormonaal systeem; daarvoor zijn ze gewoonweg te zwak. Bovendien komen consumptieproducten zoals cosmetica en detergenten niet terecht in de bloedsomloop of het lymfesysteem, de werkelijke dosissen zijn dus nog kleiner dan in dit voorbeeld. Een hormoonverstoorder kan alleen maar actief zijn wanneer hij toegang heeft tot de bloedsomloop of het lymfesysteem.

En wat met parabenen?

Parabenen hebben heel minieme oestrogene eigenschappen, deze zijn afhankelijk van het soort parabenen. Maar de potentie blijft 1000 tot 1 miljoen lager dan die van natuurlijke vrouwelijke hormonen. Bovendien worden parabenen in de huid ‘gebiotransformeerd’ of afgebroken tot parahydroxybenzoezuur, dat geen oestrogeen effect heeft. Het is dus fout te zeggen dat parabenen die in consumptieproducten gebruikt worden, raken aan ons hormonaal systeem. Daarvoor zouden ze, in hun oorspronkelijke vorm (dus niet gebiotransformeerd), in de bloedsomloop moeten terechtkomen en dat is niet het geval.

Hormoonverstoorders in de natuur

Ook is het zo dat heel wat zogenaamde hormoonverstoorders (in feite hormoonnabootsers) overvloedig in de natuur voorkomen. Via onze voeding nemen we ze in, in concentraties die miljoenen keer hoger liggen dan in consumptieproducten. Tot de hormoonnabootsers behoren onder meer de fyto-oestrogenen, dit zijn de pseudo-oestrogeenverbindingen die in planten zitten. We krijgen ze in aanzienlijke hoeveelheden binnen wanneer we kool, sojabonen of spruiten eten. Schadelijke effecten van deze levensmiddelen zijn nog nooit aangetoond.